dinsdag 18 april 2017

"Come on Home"

“De aanhoudende organisatorische veranderingen binnen het OM – wat daarvoor ook de aanleiding moge zijn – en de introductie van nieuwe functies als assistent-officier van justitie veroorzaken mijns inziens een werkomgeving waarin zowel voor de officier als magistraat als de officier als ambtenaar een identiteitscrisis op de loer ligt”, aldus Joep Lindeman in zijn proefschrift over officieren van justitie in de 21e eeuw. 

Joep werkt bij het Willem Pompe-instituut van de Universiteit Utrecht en verdedigt vrijdag 21 april a.s. zijn proefschrift. Hij heeft een participerend observatieonderzoek gedaan naar de taakopvatting en taakinvulling van officieren van justitie in de huidige tijd. En dat meekijken en meedenken levert een flink boekwerk op dat bij mij op de deurmat viel. Ik ken Joep niet goed, we hebben in dezelfde tijd rechten gestudeerd en zaten bij elkaar in sommige werkgroepen. We komen elkaar wel eens tegen en zeggen elkaar dan gedag. Des te blijer verrast ik was dat ik zijn proefschrift toegestuurd kreeg.

Ik heb het nog niet helemaal gelezen, maar zijn voorwoord raakte me… (één van zijn promotoren was ooit mijn scriptiebegeleidster). Het raakte me omdat je er duidelijk in kon lezen dat het schrijven van een proefschrift iets vraagt van je omgeving. Van je vrienden, familie, en niet in de laatste plaats van je partner en kinderen.

Precies dat was wat me recent ook raakte in een toneelstuk dat ik bezocht met al mijn collega’s. “Ons DNA” is een toneelstuk dat speciaal is geschreven voor alle medewerkers van het OM. Het stuk staat stil bij onderlinge verhoudingen binnen de organisatie, bij integriteitskwesties, bij de druk op je privéleven maar ook bij verwachtingen van de buitenwereld, en al het bijkomende commentaar. Als je als ICT-er bij het OM werkt heb je vrijwel niets te maken met alle strafzaken die wij behandelen. Toch word je op feesten en partijen aangesproken op alles wat daarover in de krant verschijnt. Werk je bij het OM, in welke functie dan ook, dan word je door mensen vaak verantwoordelijk gehouden voor de manier waarop de criminaliteit wordt bestreden, vooral als men vindt dat het niet goed gaat, maar ook voor de politieman die een bekeuring heeft uitgedeeld omdat je niet goed geparkeerd stond.

Werken bij het OM maakt soms dat men van je verwacht dat je als een robot foutloos te werk gaat. Afgelopen week maakte ik bijvoorbeeld een taalfout tijdens een interview voor Nieuwsuur en dat leverde een bak aan kritiek op op social media (ja, ik weet ook dat iets “een signaalfunctie heeft” of “dat je een signaal wilt afgeven” maar sprak over dat we willen “dat iets een signaalfunctie afgeeft”. Klopt niet, weet ik ook, maar ik had het even niet door…ik ben een mens, ook ik maak fouten). Natuurlijk willen wij alles perfect doen, streven we na dat alles op rolletjes loopt en dat er geen fouten worden gemaakt. We hebben het namelijk over zaken die grote impact kunnen hebben op het leven van zowel een verdachte als een slachtoffer. Maar helaas, heel soms gaan dingen mis, en juist die dingen komen, terecht overigens, breed uitgemeten in het nieuws. Journalisten zijn er immers om dingen die niet goed gaan aan de kaak te stellen.

Uit het proefschrift van Joep blijkt ook dat er binnen het OM nog wel wat mag gebeuren. Ik lees dat hij concludeert dat de taken van een ovj ingrijpend zijn gewijzigd. Dat in vergelijking met enige decennia geleden er veel meer situaties zijn waarin een oordeel van een ovj is vereist. En dat is dan met name op het gebied van de gezagvoering over de opsporing, die een groot deel van het werk van de ovj is gaan uitmaken. Daarnaast is er veel meer beleid gekomen waar een ovj rekening mee heeft te houden. En intussen blijven we, wat mij betreft het grootste goed, magistraten. Joep geeft aan dat een ovj eigenlijk functioneert in drie hoedanigheden, namelijk magistraat, werker en ambtenaar. En deze drie hoedanigheden willen elkaar wel eens in de weg zitten. Daarnaast geeft Joep aan dat hij het alles behalve vanzelfsprekend vindt dat zonder enige wettelijke context en zonder noemenswaardige inbreng van het parlement het mogelijk is geweest om landelijk een ZSM-werkwijze in te voeren. Dat vindt hij ook ten aanzien van het invoeren van de functie van assistent-officier van justitie. En over de gedachtevorming waarbij “integrale aanpak” van criminaliteit met “strafrecht als optimum remedium” het uitgangspunt is, had een breed gevoerd wetenschappelijk en parlementair debat moeten plaats vinden.

Joep is kritisch en ik vind dat mooi. Ik vind het mooi als iemand gedegen onderzoek doet en dan met een goed onderbouwde conclusie komt. Een promotieonderzoek doe je niet “even”. Dat is een jarenlange klus naast je gewone werkzaamheden. Vanaf 2011 is Joep gaan observeren, gesprekken gaan voeren en gaan lezen en schrijven. En nu ligt er dan zijn proefschrift. Een proefschrift dat we als OM ook kritisch moeten lezen. Omdat we willen dat de dingen goed gaan, dat mensen begrijpen wat wij doen en hoe wij het doen. Omdat ik collega’s heb op alle afdelingen, van de ICT-er tot de postrondbrenger, van de secretaresse tot de persvoorlichter, van de officier van justitie tot de secretaris, van de beleidsmedewerker tot de mensen bij de administratie, van de hoofdofficier tot de voorzitter van het College van Procureurs-Generaal, die allemaal aangesproken worden op wat wij doen, wie wij zijn en vooral op hoe we het doen.

Gelukkig lees ik ook dat Joep schrijft “Mijn observaties hebben mij vooral in contact gebracht met zeer bevlogen officieren die daar waar mogelijk een grote inzet toonden om het doel dat zij in een bepaalde strafzaak voor ogen hadden te bereiken. Officieren die het aspect “waan van de dag” juist de grote uitdaging vinden van het werk en die er eer in stellen om binnen zekere beperkingen toch resultaten te bereiken die recht doen aan alle belangen. Officieren die aangeven dat het bij dit schakelen op verschillende borden tegelijk soms lastig is te bepalen welke kant voorrang heeft. Officieren die daarbij wel tegen de grenzen van het mogelijke aanlopen en er dan voor kiezen om primair datgene dat in hun directe invloedsfeer ligt op te pakken.”

Joep bedankt in zijn voorwoord collega’s, vrienden en familie. En zijn vrouw en kinderen waarvan hij denkt dat zij blij zullen zijn dat hij eindelijk klaar is met zijn promotieonderzoek. “Nu is het dan klaar. Kijk, Sophie en Pepijn: hier is eindelijk het boek. Ik heb het voor jullie geschreven. Maar jullie hoeven het nog niet te lezen hoor. Later misschien.”
Mooi! Mensen die je steunen (in het algemeen, maar in dit soort werkkeuzes misschien wel in het bijzonder) moet je koesteren… ik ga straks ook extra knuffels uitdelen!
 
Voor meer informatie over het promotieonderzoek en het proefschrift van Joep Lindeman klik op Officieren van justitie in de 21e eeuw
Kijk en luister Myles Sanko - Come on Home 
 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen